OverLeven

‘…en als u toch mijn ouders uitnodigt… Nou… Nou dan kom ik dus nooit meer terug hier! Nooit meer!’
Ze is een verdwaalde tiener.
Ooit, toen ze nog klein was, is ze de weg kwijt geraakt.
Niet zo verwonderlijk, als iedere bewegwijzering in het leven ontbreekt.
Zelfs een eenvoudig plattegrondje was er niet.
Een huis heeft ze wel, maar een thuis heeft ze nooit gekend. En dus moest ze zelf haar route uitstippelen.
Met vallen, opstaan en ernstige struikelpartijen, maar ze staat nog steeds.
Op een dag kruisten onze wegen zich en zowaar mocht ik haar vergezellen op haar hobbelige weg.
Soms wil ik links, zij rechts.
Zoals nu.

‘Ik zie het probleem niet,’ lieg ik, in de hoop dat ze doet wat we aldoor hebben geoefend: praten, in plaats van weglopen of schreeuwen.
‘Ik wil het niet. Dus het gebeurt niet. Discussie gesloten,’ roept ze de ferme woorden uit met een wanhopige blik in haar ogen.
Ik kijk haar zwijgend aan.
‘Dus, nou. Dan weet u dus dat. Het gaat dus niet door,’ klinkt het kleintjes.
‘Waar ben je bang voor?’
‘Ik ben voor niets bang. Helemaal niets en voor niemand! Ik ben een baas, u weet zelf, haha! Ik wil het niet. Punt.’
‘Maar waar ben je dan toch een beetje bang voor?’
‘Gewoon! Ik wil het gewoon niet hebben.’
Ik leg voor de zeshonderdste keer uit waar het gesprek over zal gaan, biedt aan dat ze er zelfs bij mag zijn, móet zijn, en ik haar stem zal vertegenwoordigen.
Ze is onverbiddelijk.
Ik blijf stil.
Haar defensieve houding kakt ineens volledig in. Met haar hoofd gebogen zit ze tegenover mij.
De stilte wordt doorbroken door haar woorden die nauwelijks hoorbaar klinken in mijn werkkamer: ‘Omdat… Omdat ik dan niemand meer heb. Ik heb niemand meer dan met wie ik kan praten. U gaat slecht over mij denken als u die dingen van hun gaat horen over mij.’
‘Ik beloof, ik zweer op alles wat ik liefheb, dat ik je niet laat vallen.’
‘Dat zeiden die anderen ook. Ook dat kutwijf van jeugdzorg die er bij is. En die andere, die van de kinderbescherming.’
‘Ik ben ik, ik ben die anderen niet.’
‘En toch kom ik dan nooit meer naar hier als u echt dat gesprek gaat doen.’
‘Dan kom je toch lekker niet? Ik ga je niet dwingen.’
Haar hoofd schiet omhoog na mijn woorden en terwijl we elkaar even aankijken, breekt een lach door op haar gezicht.
‘U zou me missen!’
Ik lach en geef geen antwoord.
‘Ziet u, u lacht! Jaaa, u zou me kapot erg missen!’
‘Ik kom je persoonlijk van straat trekken als jij niet komt morgen,’ grijns ik.
Ineens gieren we het samen uit.
Ze staat op, pakt haar jas en slaakt een diepe zucht.
‘Tot morgen, Mevrouw Bruja.’
‘Tot morgen, schat. En je weet het hè, half negen wil ik je zien, geen minuut later.’
Een knik en een zwaai en ik weet dat ze er morgen zal zijn, net als ik.

Dit bericht is geplaatst in Ouders & opvoeding, OverLeven, Straatrumoer. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>